|
|
 |
Handige A.P.K. regeltjes voor
buggy's en kevers
|
| Het kenteken |
| Dit
moet kloppen
a. het kenteken;
b. het identificatienummer;
Toelichting
bij de controle van het identificatienummer worden tekens,
welke geen letters of cijfers zijn, buiten beschouwing
gelaten;
c. de plaats van het identificatienummer met uitzondering
van een eventuele afstandsmaat;
Toelichting
Indien aan de hand van de plaatsomschrijving van het
identificatienummer op het kentekenbewijs het identificatienummer
in het voertuig kan worden gevonden, wordt voldaan aan
de eis dat de plaats van het identificatienummer in
het voertuig overeenkomt met het kentekenbewijs.
d. de wielbasis, waarbij deze niet meer dan 1,0 % mag
afwijken van de waarde die op het kentekenbewijs is
vermeld. Als de wielbasis van fabriekswege links en
rechts verschilt, wordt de gemiddelde waarde als wielbasis
aangemerkt;
e. het aantal assen, hetgeen af te leiden is uit het
aantal wielen; dit geldt niet voor middenasaanhangwagens.
f. Brandstofsoort, aantal cilinders.
Indien het een personenauto of bedrijfsauto betreft
moeten tevens de volgende gegevens op het kentekenbewijs
in overeenstemming zijn met het voertuig. |
| Het chassis |
|
De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen
van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats
tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie
van personenauto's mogen:a. geen breuken of scheuren
vertonen;b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of
door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte
van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie
in gevaar worden gebracht. |
| De stoelen en gordels |
| 1.
Personenauto's die na 1 januari 1971 doch voor 1 januari
1990 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van
autogordels voor de zitplaats van de bestuurder en de
naast deze plaats aanwezige zitplaats.
2. De zitplaatsen van personenauto's moeten
deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Bij personenauto's
die na 30 september 1971 in gebruik zijn genomen, moeten:
a. verschuifbare zitplaatsen in elke mogelijke stand
automatisch zijn vergrendeld,b. verstelbare rugleuningen
van zitplaatsen in elke mogelijke stand kunnen worden
vergrendeld.
c. de voorste zitplaatsen, indien zij scharnierend zijn,
dan wel de rugleuningen van de voorste zitplaatsen,
indien zij scharnierend zijn, in de normale stand automatisch
zijn vergrendeld. |
| De verlichting |
|
a. twee of vier grote lichten; Visuele controle.
b. twee dimlichten, met dien verstande dat de dimlichten
met gasontladingslichtbronnen en andere lichtbronnen
met een lichtsterkte van meer dan 2000 lumen voldoen
aan door Onze Minister gestelde eisen voor deze lichtbronnen,
alsmede voor de installatie daarvan indien het voertuig
na 31 december 2005 in gebruik is genomen. Visuele controle.Op
deze eis wordt t.a.v. lichtbronnen met een lichtsterkte
van meer dan 2000 lumen vooralsnog niet getoetst tijdens
de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van
een keuringsrapport en bij elke keuring ten behoeve
van de afgifte of teruggave van een kentekenbewijs.
c. twee stadslichten indien het voertuig na 30 juni
1967 in gebruik is genomen, dan wel twee of vier stadslichten
indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in
gebruik is genomen; Onderdelen c tot en met l. Visuele
controle.
d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee
aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één
richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig
vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen;
het licht van de richtingsaanwijzers van personenauto's
die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen moet knipperen;
e . twee achterlichten indien het voertuig na 30 juni
1967 in gebruik is genomen, dan wel twee of vier achterlichten
indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in
gebruik is genomen.
f . twee remlichten indien het voertuig na 30 juni 1967
in gebruik is genomen, dan wel één of
twee remlichten indien het voertuig vóór
1 juli 1967 in gebruik is genomen;
g . een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde
van het voertuig aangebrachte kentekenplaat;
h . twee niet-driehoekige rode retroreflectoren aan
de achterzijde van het voertuig;
ToelichtingOnder driehoekig wordt een gelijkzijdige
driehoek verstaan.
|
| Kleur verlichting |
1. De grote lichten, dimlichten, stadslichten en achteruitrijlichten
mogen niet anders dan wit of geel stralen.ToelichtingWit
licht is opgebouwd uit meerdere kleuren. Hierdoor kan
het voorkomen dat op het koplamptestapparaat een blauwe,
groene, gele, oranje of rode kleur is te zien. Deze
kleur op het scherm van het koplamptestapparaat is acceptabel
mits de kleur van het licht op de vloer of het wegdek
wel wit is. Visuele controle, waarbij de desbetreffende
verlichting wordt ingeschakeld. Voor de controle van
de achteruitrijlichten wordt de achteruitrijversnelling
en zo nodig het contact ingeschakeld. Indien noodzakelijk
wordt achteruit gereden.
2. De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten
mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en
naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen.
3. De zijrichtingaanwijzers, mogen niet anders dan ambergeel
stralen.
4. De achterlichten en mistlichten aan de achterzijde
mogen niet anders dan rood stralen.
5. De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel
stralen.
6. De kentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit
stralen en mag niet naar achteren stralen.
|
| Plaats verlichting |
| Bij
personenauto's in gebruik zijn genomen na 31 december
1967 moeten de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende
voorzieningen, zijn aangebracht op een afstand van niet
meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte
van het voertuig.Voor richtingaanwijzers geldt de eerste
volzin slechts voorzover het voertuig in gebruik is
genomen na 31 december 1997. Visuele controle. In geval
van twijfel wordt gemeten.
2. Het bepaalde in het bovenstaande geldt niet voor
de grote lichten, richtlichten, bermlichten, achteruitrijlichten,
remlichten, de verlichting van de kentekenplaat aan
de achterzijde van het voertuig, de markering aan de
achterzijde van het voertuig, mistlichten aan de achterzijde
van het voertuig, en werklichten. |
| De voorruit |
| 1.
Personenauto's met een voorruit moeten zijn voorzien
van een goed werkende
ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende
uitzicht geeft.
2. Personenauto's met een voorruit, die na 30 september
1971 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van
een goed werkende ruitensproeierinstallatie.
3.Personenauto's met een voorruit, die na 30 september
1971 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van
een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming
van de voorruit. |
| De spiegels |
| 1.
Personenauto's moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel
en van een binnenspiegel.
2. Personenauto's moeten zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel
indien met de binnenspiegel het achter het voertuig
gelegen weggedeelte niet voldoende kan worden overzien.
Indien de binnenspiegel geen zicht naar achteren mogelijk
maakt, behoeft deze niet aanwezig te zijn.
3. De aan de zijde van de bestuurder bevestigde buitenspiegel
moet vanuit de binnenzijde bij gesloten portier kunnen
worden versteld. Deze eis geldt niet voor personenauto's
die vóór 1 januari 1975 in gebruik zijn
genomen. De spiegels van deze voertuigen moeten, na
door een duw te zijn omgeklapt, zonder verstelling in
de oorspronkelijke stand terug kunnen klappen. |
| De snelheidsmeter |
| Personenauto's
die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten
zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter,
die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar
is. |
| De motor |
| De
onderdelen van de aandrijving van personenauto's moeten
deugdelijk zijn bevestigd. Een volledig doorgescheurde
flexibele koppeling is toegestaan mits de aandrijfas
op zijn plaats blijft.
2. Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn
bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat
de hoezen niet meer afdichten.
3. Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije
overbrenging kunnen bewerkstelligen.
1. De motorsteunen van personenauto's
moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie
alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor
en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden
de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen
beschouwd.
2. De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn
beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd
en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. |
| Wat mag er uit de pijp komen |
| De
uitlaatgassen van personenauto's met een verbrandingsmotor
met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental
en op bedrijfstemperatuur zijnde motor:a. niet meer
dan 4,5% vol koolmonoxide bevatten indien het voertuig
in gebruik is genomen na 31 december 1973 doch voor
1 oktober 1986. |
| |
|
|
 |
 |
|
|